Lieve Vrouwe- of Albadaleen
Anno 1543

Oorsprong
 
De oorsprong van het Albadaleen is niet eenduidig bekend, een stichtingsbrief bestaat niet. Een neerslag van de familiale traditie staat voor al eerst in de "Memoria van Albadageslachte tot Poppingawier". Dit manuscript is begin 17de eeuw door Andries van Albada geschreven aan de hand van oude stukken en de "mens(c)hen gehuegenisse". Het is waarschijnlijk dat ene Rienck Sythiema de stichter is geweest. Hij was de zoon van Pibo Sythiema en His Zyaerda van Albada, dochter van "olde" Lieuwe van Albada. Pibo leefde rond 1500 en was een voorname persoon doch is kinderloos gestorven in Poppenwier. Zijn zuster, Sythie (of Syts) van Sythiema was gehuwd met Hette Bottes Heslinga. Zij hadden zes kinderen: Eelck, Jilda, His, Botte, Pybe en Lieuwe. Deze laatste heeft de achternaam Van Albada aangenomen en huwde met Frouck Roorda van Genum, terwijl zijn broer Botte Hettes de naam Heslinga aannam. Het is waarschijnlijk dat de kinderloos overleden Pibo twee zonen van zijn zuster, Pybe met zijn eigen naam, en Lieuwe met de naam van zijn moeders vader en achternaam van zijn moeder heeft bevoordeeld. Uit het huwelijk van Lieuwe en Frouck zijn de nazaten van de "van Albada's" voortgekomen.

In ieder geval staat Lieuwe Hettes bekend als alleenbezitter van het Jus Patrones over het Albadaleen. Tussen de jaren 1400 en 1500 waren er grote conflicten en vete's in Friesland, de stijd tussen de zogenaamde Schieringers en de Vetkopers. Lieuwe en zijn broers waren Vetkoper gezind en hij moest dus schipperen als de tegenstanders tijdelijk de macht hadden. Er is een tijd een grote stilte geweest rond zijn persoon waarbij hij waarschijnlijk zonder al te grote problemen in Poppenwier heeft gewoond. Kansen keren en op 12 januari 1525 krijgt Lieuwe Hettes van de Bourgondiërs een aanstelling als grietman van Rauwerderhem. Hij verrichtte het grietnijschrijfwerk voornamelijk zelf en in het Fries, Lieuwe Hettes staat bekend als de langst Fries schrijvende grietman. Na zijn overlijden in 1543 werd Lieuwe Hettes als grietman opgevolgd door zijn zoon Hette Lieuwes van Albada. Deze was Spaansgezind en weigerde zijn Katholieke geloof op te geven. Hierdoor viel hij in onmin en werd afgezet en verbannen. Hij stierf in Steenwijk in 1587 en is later bijgezet in het familiegraf in Poppenwier.

Bovengenoemde Andries van Albada werd de eerste beneficiant van het Albadaleen in 1571. Zeer waarschijnlijk heeft hij van de mogelijkheid gebruik gemaakt om op kosten van het leen te studeren aan de universiteit van Leuven. In 1617 woont Andries in Mechelen en schrijft hij zijn neef Pibo in Leeuwarden dat hij graag zou willen dat die zijn gelden zou beleggen voor twee of meer beurzen voor onze nakomelingen. Hij vraagt zijn neef er voor te zorgen waardepapieren aan betrouwbare reizigers mee te geven en hen op het hart te drukken voorzichtig te zijn, vooral in de omgeving van Antwerpen is de weg onveilig en is waakzaamheid geboden. Andries maakt in 1618 zijn testament waarin hij Pibo opdraagt een beurs te realiseren voor eerlijke, vrome studenten uit Friesland. Nadere instructies zouden volgen maar die zijn nooit gekomen. In ieder geval heeft Pibo er daarna voor gezorgd dat de functie van het Albadaleen werd gecontinueerd.

Begrippen en naamgeving inzake het Albadaleen zijn soms verwarrend vandaar alhier een korte verklaring. Leenen worden ook wel aangeduid met de term Prebenden. Degenen die een beurs ontvangen werden en worden Beneficianten of Prebendarissen genoemd. Het Albadaleen heeft ook bekend gestaan als Sythiemaleen, genoemd naar de vermoedelijke stichter. Het altaar in de St. Nicolaaskerk in Poppenwier was oorspronkelijk gewijd aan St. Catharina en later aan Onze Lieve Vrouwe. Vandaar dat ook de naam St. Catharina Prebende of Onze Lieve Vrouwe Prebende wordt gebezigd. In later eeuwen is men uiteindelijk uitgekomen op Lieve Vrouwe- of Albadaleen of kortweg: Albadaleen.
 
De grafzerk van o.a. Lieuwe Hettes
 
Bij een onderzoek in de kerk van Poppenwier omstreeks 1910 kon men geen grafstenen ontdekken, terwijl toen ook niemand inlichtingen kon verschaffen of onder de houten vloer stenen verborgen waren. Bij toeval ontdekte men in 1977 dat zich een grafsteen onder de vloer bevond, doordat de vloer ter plekke kapot was gegaan. Eerst in 1984 kwam tijdens de verbouwing van de kerk de zerk van het familiegraf van de Van Albada's te voorschijn. Deze zerk (in 1558 gemaakt door Benedictus Gerbrants) is gerestaureerd en verplaatst naar een plek zijdelings naast de preekstoel.
Hieronder is een afbeelding van de zerk, de opschriften zijn niet altijd even duidelijk. De buitenrand, rondom, van links met de klok mee:

INT•IAER•ONS•HEERE•M•Vc
XLIIJ•DE•X•DECEBRIS•STERF•LIEVVE• HETTE•Z•ALBADA•K•M
GRIETMA•VA•RAERDERHEM
Ao•XVc•XLIIIJ•DE• EERSTE•IAVARIJ•STERF•FROVCK• ROERDA•SYNWYF

De binnenrand, rondom, van links met de klok mee:

ANNO·1587 DE17·FEBRVA
RY·STERF·DE·EERENTVESTEHETTE· ALBADAC·MGRIETMAVA
RAVWERDER·HEM W.S.C. ···




Links-klik op het plaatje om de volledige scan op een apart scherm te krijgen. De weergavekwaliteit van dit en andere plaatjes is afhankelijk van de gebruikte browser, van het gebruikte operating system en van de combinatie daarvan.


Op het embleem midden onder staat een Latijnse tekst:

Hic Leo mortali vitaque
et lumine cassus
Omnibus et tandem
curis Albada solutus
Cum chara a Roerda
Vrouca sibi coniuge dormit


Dit is een vers van drie regels in hexameters en luidt vertaald in het Nederlands: Hier, beroofd van het stervelijk leven en licht, slaapt, eindelijk vrij van alle zorgen, Leo Albada, met zijn lieve echtgenote Vrouca van Roerda
Met dank aan André Looijenga die deze uitleg en vertaling geeft op zijn Frysk Deiblôch.
Nazaten van Lieuwe Hettes van Albada

Hieronder staan schematisch weergegeven de nazaten van Lieuwe Hettes van Albada en Frouck Roorda, in mannelijke lijn, eerste t/m vijfde generatie.

Alle hier genoemde personen hebben dus de achternaam Van Albada, als jongens of als meisjesnaam. Deze lijn is in de zevende generatie uitgestorven.
Na zijn aantreden als Grietman in 1525 ging Lieuwe voortvarend te werk om zijn machtsbasis te consolideren. Hij diende een klacht in bij het hof van Friesland tegen de zittende pastoor van Poppenwier, Heer Joris Walraven, die daarop in Leeuwarden werd ontboden om zijn brieven van nominatie, presentatie en institutie als pastoor van Poppenwier "aan stukken te laten snijden". Heer Joris werd opgevolgd door de clericus Wopco Leonis Jarla alias de oudste zoon van Lieuwe: Wopcko van Albada, waarbij die de schuilnaam gebruikte gelijk aan de naam van de jong gestorven eerste echtgenoot van zijn moeder Frouck, Wopco Jarla. Dit is niet verwonderlijk omdat het Hof van Friesland moeilijk naar buiten kon brengen dat deze wisseling van pastoorszetel naar de zoon van de grietman vriendjespolitiek was.
Het gezin van Lieuwe en Frouck kenmerkte zich door een grote religieuze betrokkenheid. De oudste zoon Wopcko werd dus pastoor een later priester te Poppenwier, de tweede zoon Wybrandt volgde een opleiding in Leuven en werd pastoor in Dronrijp en later in Raerd, het buurdorp van Poppenwier, en zus Syts ging in het klooster. Overigens hadden de broertjes Wopcko en Wybrandt moeite met het celibaat. Heer Wopcko verwekte bij zijn bijzit Margareta Dircks een zoon Andries (zie boven), terwijl in Raerd meester Wybren "de voeten verwarmde" van Syts Lutzesdochter. In 2010 is bij de restauratie van de kerk in Raerd de grafsteen van Wybrandt van Albada gevonden. Deze steen heeft jaren onder de grond gelegen en is zwaar beschadigd. Met enige moeite is het randschrift te ontcijferen: Int Iaer ons heeren [.......] MVc LXXVI den VI Maij sterf den eersamen heer Meister Wybrandt van Albada Pastoor kerke Rauwert ende was olt in syn [....]. Zoon Hette kreeg vijf kinderen bij zijn echtgenote Tjets Jelles en volgde zijn vader op als Grietman. Dorothea trouwde met Gerrit Wytsma en zij kregen drie kinderen: Oene, Lieuwe en Frouck.
Misschien vraagt u zich af wat er van Heer Joris terecht is gekomen. Welnu, hij was het niet eens met de gang van zaken en heeft zich verzet tegen deze vorm van politieke willekeur. Uiteindelijk werd hij in Bolsward derde pastoor en had bij zijn overlijden zulke grote schulden dat niemand zijn erfgenaam wilde zijn: "beati pauperes spiritu, quoniam ipsorum est regnum caelorum".

De Albada kelk

Uit het kerkarchief van de RK kerk van de Heilige Marcus in Jirnsum, Boek 1, blz 116: "Ten tijde van den eerw. Pastoor Wamsteker leefde op het slot te Terkappel nog eene bejaarde mevrouw van Albada welke in het bezit was van een oud familie-stuk, een prachtige vergulde-zilveren kelk. Deze kelk werd nu door haar aan den Eerw. Wamsteker voor zijn kerk geschonken. De inscriptie. Welke gij op den hier aanwezigen grooten kelk leest geeft u genoegzaam te kennen dat ik dien bedoel."
Het gaat hier om de zogenaamde "Albada kelk":

De Albada kelk in zijn geheel, hoog 29 cm, diameter van de voet is 18 cm. Het totale gewicht is 870 gram, verguld zilver.

Eén van de vier afbeeldingen op de voet, het laatste avondmaal naar een houtsnede van Crispijn van den Broeck.

Een andere afbeelding op de voet, de Heilige Catharina van Alexandrië met haar gebruikelijke attributen: rad, boek, palmtak en zwaard.


De cuppa en de tegencuppa stammen waarschijnlijk uit het midden van de 16e eeuw. De kelk is gerestaureerd in 1627 en voorzien van een nieuwe voet blijkens de inscriptie op een plaatje onderin de voet. Het is mogelijk dat de oude kelk tijdens de reformatie beschadigd is geraakt doordat die snel ergens verstopt of vervoerd moest worden. Dit plaatje in de voet voorziet ons wel van een belangrijke historische bron. De inscriptie is als volgt:

Vetustum Familia ALBADA IN POPPENCHAVIER Monimentum Altari S CATHARINA ARINÆ Olim, PoSt. B. MARIÆ VIRG Sacrum. Restauratum a PIBONE PHILIPPO ab ALBADA Ao 1627


Dit staat er letterlijk zoals men kan waarnemen. Doch uit het voorgaande zal duidelijk zijn dat het hier moet gaan om St. Catharina van Alexandrië (Catharina Arianæ) terwijl er staat: Catharina Arinæ: Catharina van Arina. De graveerder heeft destijds een foutje gemaakt, hij kende waarschijnlijk geen latijn; errare humanum est.

De vertaling is dan:
"De familie Albada in Poppenghawier schonk dit blijvende gedenkteken, ooit gewijd aan het altaar van de heilige Catharina van Alexandrië, later aan de Heilige Maagd Maria. Gerestaureerd door Pibo Philippus van Albada in het jaar 1627".
De kelk is dus in 1627 in opdracht van Pybo, de jongste zoon van Hette van Albada (zie de figuur boven met de afstamming van Lieuwe Hettes) voorzien van een nieuwe voet en gerestaureerd. Nu vergt de naamgeving enige toelichting. In het Fries was de naam Pybe, als zodanig nog voorkomend in Friesland, in het nederlands Pybo of Pibo. En deze Pybe had de neiging alles wat betreft de familie en hemzelf wat voornamer te maken. Hij verfraaide de Albada stamboom, verzon Albada wapens, en heeft zijn eigen naam Pybe ook wat mooier gemaakt en de Latijnse versie erachter geplakt: Pibo Philippus.

Op de voet staan vier afbeeldingen waarvan twee hierboven zijn weergegeven. De andere twee zijn die van Christus aan het kruis met links Maria en rechts Johannes en verder Onze Lieve Vrouwe met kind Jezus op de linkerarm. De middelste afbeelding die hierboven staat beeldt het Laatste Avondmaal uit, met een tafel die wat rijkelijker van voedsel is voorzien dan het voorbeeld van Crispijn van den Broeck. De rechtse afbeelding is die van de Heilige Catharina van Alexandrië, met zoals altijd het rad met punten, soms een gedeelte van een rad, welk een prominente rol speelt in de Catharinalegende. De andere attributen zijn een palmtak ten teken van overwinning door de marteldood, een boek ten teken van haar geleerdheid en een zwaard waarmee zij uiteindelijk werd onthoofd in opdracht van keizer Maxentius. Opmerkelijk is het Hollandse landschapje (kerk en huisje) links van Catharina, niet bepaald wat je verwacht in Egypte van rond het jaar 300. De zilversmid heeft klaarblijkelijk zichzelf enige vrijheid gegund aangaande zijn creatie.
De zilvermerkjes zitten verstopt achter het plaatje en zijn niet benaderbaar zonder de kelk te demonteren. Toch is de restauratie en het maken van de voet waarschijnlijk toe te schrijven aan Dominicus van Lynhoven, zilversmid te Haarlem, op grond van overeenkomsten van de voet met andere kelken van zijn hand.

Maar hoe komt deze kostbare kelk terecht bij de bescheiden kerkgemeenschap in Jirnsum?

Daartoe volgen wij de weg van de kelk hierboven uitgebeeld als onderdeel van de nazaten van Lieuwe Hettes van Albada. De kelk deed na de reformatie geen dienst meer en werd een familiestuk, eerst eigendom van de opdrachtgever van de restauratie, Pybo, jongste zoon van Hette. In alle bovenste vierkantjes van de familietak hierboven is de achternaam niet gegeven, die is altijd: van Albada. Pybo ging na de reformatie in Leeuwarden wonen en trouwde met zijn nicht Sjouck Wytsma. Hun nakomelingen waren ook niet erg levensvatbaar of langlevend, met uitzondering van Oene Andries. Deze trouwde met de twintig jaar jongere Elisabeth de Borghreef van Roorda en trok bij haar (en haar ouders?) in op "Oenemastate" in Ter Caple (tegenwoordig: Terkaple) waar al zijn nazaten ook hebben gewoond. Oene Andries kreeg veel kinderen die zelden lang leefden gezien de inscriptie op de grafzerk in het kerkje van Terkaple: Anno 1658 den 15 November sterf den Edelen Eerentphesten Jr. Oene van Albada, leidt hier begraven met 5 van sijne kinderen.
De kelk is toen overgegaan naar de langstlevende zoon van Oene Andries, Philippus (of Pybe in Friesland), die trouwde met Maria Eleonora Murray. Zij kregen één zoon: Oene Andries, die zijn naam verlatijnsde, zoals toen gebruikelijk in: Onesimus Andreas. Hij huwde Anna Catharina Albertina barones van Geismar en zij kregen ten minste drie kinderen. Zoon Philippus Paulus Andreas en dochters Catharina Eleonora Josepha en Anna Catharina Eleonora. De zoon en stamhouder Philippus stierf in 1747 bij het beleg van Bergen op Zoom, ongehuwd en kinderloos. Als zodanig eindigde hier het geslacht "van Albada". De barones van Geismar correspondeerde bij leven en welzijn uitvoerig met vooraanstaande lieden in Friesland en Groningen. Doch bleef uiteindelijk alleen achter op het Slot in Terkaple. Het oude vrouwtje "van Albada" uit het kerkboek die de kelk schonk was dan ook niemand minder dan Anna Catharina Albertina barones van Geismar douairière d'Albada. Pastoor Wamsteker wist beslist van haar voorname afkomst maar heeft dat verzwegen in het kerkboek.
De jonste dochter Anna Catharina Eleonora huwde met Gerrit Ferdinand van Camminga. Zij kreeg een zoon die Valerius Vitus werd gedoopt. De doop vond plaats in aanwezigheid van zijn grootmoeder de barones van Geismar, maar het kind heeft de volgende dag niet gehaald. Terwijl de dochter van de barones, de moeder van het kind reeds tijdens de bevalling was gestorven: "Deus illam ut quid dereliquisti?" Anna Catharina Albertina barones van Geismar douairière d'Albada heeft haar laatste jaren doorgebracht op Wiarda State te Goutum, vlakbij Leeuwarden, waar zij op 88 jarige leeftijd overleed.

Foto van de huidige "Oenemastate" in Terkaple, gebouwd op het oude stee, maar nu een melkveebedrijf.

Het in de gevel van de boerderij gemetselde alliantiewapen van de families Roorda en De Borghreeff.


De geschiedenis van de bewoners en familie die op Oenemastate of Oenema State of Oenema Zathe of ook wel Roordahuis woonde is bijzonder interessant doch ingewikkeld en het voert te ver om hier een beschrijving te geven. Zij is nauw verbonden met het oude tufstenen kapelletje en later het kerkje van Terkaple ongeveer 300 meter ten zuiden van de Oenemastate, waarin enige grote grafzerken met inscripties te vinden zijn van de familie Oenema/Roorda/Borghreeff/Albada. Waarschijnlijk is na het vertrek van de barones de oude state in verval geraakt. Tegenwoordig bevindt zich op dit stee een melkveeboerderij (zie foto boven) welk een rijksmonument is en nog steeds Oenemastate heet. Er zijn drie elementen van deze boerderij die aan de rijke historie refereren: een oude schouw met inscripties, een in de gevel gemetseld alliante wapen van de familie Roorda/De Borghreeff en een onlangs gevonden ondergrondse vluchttunnel van de state naar het kerkje.
Stins in Poppenwier
 
 

Onderschrift: Oude Stins Albada te Poppingawier in Rauwerderhem 1722. Getekend door J. Stellingwerf, bron: prentenkabinet Fries Museum.

 

Op dit kaartje van 1718 staat nog het Poppenwierstermeer, de stippellijnen om het meer zijn rietvelden. "Albada" is groot ingetekend en de plaats van de stins is aangegeven met "State". De leensboerderij stond aan de rand van het dorp Poppenwier en is aangegeven met de pijl met daarbij de tekst "Albadaleen".


De linker tekening is opgenomen in het boekje: "Alde doarpsgesichten II" van Oepke Santema, Miedema pers, Leeuwarden, 1971.
Santema schrijft er een stuk bij, hetgeen hier volgt, vertaald uit het Fries:

In 1722 stond in Poppenwier nog een middeleeuwse stins. J. Stellingwerf heeft die getekend, en daar mogen wij hem dankbaar voor zijn: daarmee is een vrij gaaf voorbeeld van een laat middeleeuws verdedigingsbouwwerk in een afbeelding aan ons overgeleverd. Wie goed kijkt, kan in het onderschrift de naam "Albada" lezen. Nu zijn de Albada's en Poppenwier twee begrippen die bij elkaar horen. Zo kan men in de provinciale almanak van Friesland onder het hoofdstuk Lenen en Beurzen ook het Lieve Vrouwe- of Albadaleen te Poppenwier vinden. Hessel Albada, gestorven in 1507, moet de stichter zijn. Dat zeggen sommigen tenminste. Maar een andere mening is dat een familielid van Hessel zijn vrouw, Rienck Pybes van Sythiema, die zonder kinderen stierf het kapitaal er voor heeft nagelaten.
De Albada's woonden op Douma state, zegt men. Of dat nu dezelfde state is geweest als die van de Heslinga's enige tijd eerder, is nog ongewis, maar lijkt niet geheel onwaarschijnlijk. Dan zou ook de plaats van de stins nog te vinden moeten zijn, net buiten het dorp aan de zuid-oost kant. Daar heeft een grote terp gelegen en nog vindt men in die buurt oude friese stenen in de grond en een varkenshok, misschien wel overblijfsels van dit oude verdedigingswerk.
Als jonge kerel van een jaar of zestien-zeventien was ik al geïnteresseerd in onze Friese geschiedenis en probeerde ik een beetje wegwijs te worden in de kronieken. Toen stuitte ik op het volgende over de stins in Poppenwier (het staat in "Worp van Thabor", 4e boek, op bladzijde 148-150 en ik vertel het maar in het Fries):
In 1482, in de vastenmaand, kwamen Wibe Jarichs en zijn kompanen in de nacht in Poppenwier aan en namen Heslinga-stins in. Zij verrasten de wacht en sloegen Douwe Jelles Sjaerda dood, die een zwager was van de beide broers Eke en Botte Heslinga. Toen Wibe de stins in zijn macht had, vluchtten de beide zoons van Geale Heslinga naar Leeuwarden en klaagden hun leed bij de raad van Leeuwarden. De Leeuwarders die Wibe niet konden zien of luchten vanwege zijn aanslagen op hun handelsroutes en vaarwegen, toen die nog op de stins te Meskenwier woonde (en die de Leeuwarders met grote kosten ingenomen en verwoest hadden) zagen direct het gevaar van de situatie. Vanuit Poppenwier kon hun aartsvijand de vaarweg van Leeuwarden naar Sneek via de Oudvaart en het Sneekermeer controleren. Daarom gaf de raad de broers honderd bewapende jonge mannen mee. Toen Wibe Jarich's vernam dat deze troepenmacht er aan kwam om de stins te ontzetten, verliet hij Poppenwier en de Heslinga's bezetten hun eigendom weer. De broers Eke en Botte hielden een aantal van de jonge mannen thuis en gingen op rooftocht bij de buren. Met name de boeren in Raerderhim en de Sneker Vijfgouw (de dorpen Skearnegoutum, Loaijingea, Goaijingea, Gau en Offenwier) moesten het ontgelden. Dat ging Edo en Hessel Jongema van Raerd op het laatst te ver, en door het luiden van de klokken werden de boeren opgeroepen en ging er een bode naar Pieter Harinxma, hoofdeling van Sneek. Midden in de nacht bracht men hem de brief en direct stuurt hij de trommelaar en hoornblazer de straten op met het bevel om in het harnas te verschijnen "om met hem ut te reisen ten oorloge". Voor zonsopgang was hij met een troep van 300 man in Raerd bij de Jongema's. Het gevolg was dat de stins ingenomen werd. Maar met één keer is het niet voorbij. Later herhaalt zich het feit dat de Heslinga stins (waarschijnlijk dezelfde stins als Douma of Albada) een roofnest wordt.
Deze geschiedenis pakte mij zondanig dat ik geprobeerd heb er een verhaal over te maken. Het resultaat is geweest het feuilleton "Lytse Minne" in Drijfhouts Nieuwsblad en in 1935 als aparte uitgave bij T. vd Weij in de Skrâns te Leeuwarden (Huzum), verschenen. Het is geen grote kunst, o nee! Maar waarschijnlijk maakt het wel duidelijk hoe deze tweestrijd ons Friese volk aan de rand van zijn bestaan bracht en dat "partije is divelije".

De Leensboerderij


Hierboven staat een foto (anno 2009) van de voormalige leensboerderij aan de Bûtenbuorren no 10 in Poppenwier. In de voorgevel is een gedenksteen gemetseld met de inscriptie LV of Albadaleen:

De inkomsten van het Albadaleen kwamen en komen voornamelijk uit de pachtopbrengst van land wat eigendom is van het Leen. De pachter van het leensgoed woonde op de leensboerderij, die sinds de oosprong aan de rand van het dorp Poppenwier heeft gestaan. De oudst bekende pachter, vanaf 1511, was een zekere Jan Egberts. Hij en zijn gezin woonden in het middenhuis, terwijl de vicaris en later de pastoor en hun huishoudsters in het voorhuis woonden. Ook zou de schoolmeester ooit in het voorhuis hebben gewoond.
De boerderij was oospronkelijk van het kop-hals-romp type. In de loop der tijden is de boerderij vele malen verbouwd, vernieuwd, afgebroken en herbouwd. Vanaf 1850 is er meer bekend omtrent de staat. Toen meldde pastoor Rooswinkel, bestuurder van het leen, onder andere dat: "de huizinge en de schuur in een bijna bouwvallige staat verkeren". Er wordt besloten een nieuwe boerderij te bouwen op het oude stee en gedeputeerde staten geven toestemming voor "het afbreken eener oude huizinge en het weder opbouwen eener nieuwe stelphuizinge op de zathe". De achterkant van de boerderij kwam te liggen vlak aan de doorgaande weg, op het zuiden, en het voorhuis aan de noordkant, zoals gebruikelijk in die tijd zodat de melkkelder die onder de woonvertrekken zat, koel blijft.
In 1917 wordt dokter Van Dam in het bestuur van het Albadaleen benoemd en hij heeft zich bemoeid met het welzijn van de bewoners. Hij constateerde vele tekortkomingen, o.a. dat de knecht of de meid nog sliepen in een bedstee op de veestal en dat de schoorsteen "een stort is van houten planken en dat in de rookleiding het houten zetluik nota bene uitkomt op de hooizolder!". Dit heeft er toe geleid dat het bestuur opdracht gaf tot de nodige verbouwingen.
Doch in de zomer van 1927 is de boerderij goeddeels afgebrand door hooibroei. De brandverzekering heeft een schade uitgekeerd van 9000 gulden en de boerderij is herbouwd nu weer als kop-hals-romp type. Dokter Van Dam heeft advies ingewonnen bij zijn collega de heer Bos van het Volkssanatorium voor borstlijders te Hellendoorn voor een zo gezond mogelijke inrichting van het gebouw. Hierdoor is het woongedeelte weer op de zuidkant gekomen met de kamer op het westen.
In het kader van de ruilverkaveling is het leensland, wat zeer verbrokkeld was geraakt, samengevoegd tot één kavel en verplaatst naar het buurtschap Abbenwier bij het dorp Jirnsum. De leensboerderij had toen geen functie meer en is in 1971 verkocht.
In memoriam: Ina en Dirk Groeneveld
 
Dhr. Dirk Groeneveld is 33 jaar administrateur van het Albadaleen geweest. Hij heeft er voor gezorgd dat het Leen is overgezet naar de stichtingsvorm en daarmee werd gered van de ondergang. Op de foto overhandigt de voorzitter Dhr. T.S. van Albada (links) het echtpaar Groeneveld een bos bloemen ter gelegenheid van zijn afscheid in 1999.


Literatuur
 
(1) H. Walsweer, Manuscript: Geschiedenis van het Lieve Vrouwe- of Albadaleen
(2) F.J. de Zee en D. Groeneveld, Manuscript: Historie Albadaleen
(3) A. Douma, 2009: Skiednis fan it Lieve Vrouwe of Albadaleen te Poppenwier, oer de Albada's en oer de lienpleats
(4) O. Santema, 1971: Alde doarpsgesichten Diel II, Miedema Pers, Leeuwarden, p. 88
(5) J.P. Jorna, 2016: De Albadakelk, beschrijving en herkomst, notitie.